Competenties

De afgestudeerde journalist moet:

1. Vanuit de actualiteit journalistiek relevante onderwerpen kunnen analyseren en vaststellen

Om (1) te kunnen moet de beginnend journalist:

nieuwsgierig en pro-actief zijn en een grote betrokkenheid tonen bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen en de achtergronden daarvan;

Met behulp van brede multidisciplinaire kennis van maatschappelijke domeinen de actuele ontwikkelingen daarbinnen in samenhang kunnen interpreteren en analyseren

Met behulp van kennis van de journalistiek en de functie daarvan in de maatschappij uit de actuele ontwikkelingen journalistiek relevante (zijnde nieuwswaardige en voor medium en doelgroep belangwekkende) ontwikkelingen en onderwerpen kunnen vaststellen;

Het onderwerp kunnen aanpakken op een manier die past binnen het bredere kader van item of verhaal waarbij behalve journalistieke ook commerciële factoren relevant zijn.

Voor de aanpak van onderwerpen een passende en creatieve invalshoek kunnen bedenken;

Onderwerpen kunnen analyseren, dat wil zeggen hoofd- en bijzaken kunnen onderscheiden en de journalistiek relevante vragen kunnen stellen;

Naar aanleiding van journalistiek relevante vragen parate kennis systematisch kunnen inzetten voor het genereren van nieuwe of meer specifieke kennis of conclusies.

2. Snel en gericht nieuwe informatie kunnen verzamelen en selecteren, met (moderne) nieuwsgaringtechnieken en methoden van onderzoek

Om (2) te kunnen moet de beginnend journalist:

Met kennis over journalistieke doelen, middelen en randvoorwaarden een werkplan kunnen opstellen voor het te produceren journalistieke product en de daarvoor benodigde research;

Bij de uitvoering vaneen werkplan de nodige vindingrijkheid en doorzettingsvermogen aan de dag leggen;

De belangrijkste persbureaus, naslagwerken, databanken, internet enz. efficiënt kunnen gebruiken;

Relevante zegslieden kunnen benaderen en (eveneens op afstand) kunnen interviewen, ook in het Engels;

Uit eigen waarneming en observaties ter plekke gericht informatie kunnen verzamelen;

Geschreven (wetenschappelijke) bronnen efficiënt en effectief kunnen opzoeken en verwerken, ook in het Engels;

Eenvoudige onderzoeksmethoden en technieken kunnen toepassen;

Gericht informatie kunnen registreren in tekst, beeld en geluid (bijvoorbeeld aantekeningen kunnen maken bij interviews);

Alle bronnen kunnen beoordelen op toegankelijkheid, betrouwbaarheid, relevantie en volledigheid;

Evenwicht kunnen brengen in het bronnenonderzoek door methoden als hoor/wederhoor, check/double check systematisch toe te passen;

Bij alle keuzes rond de publicatie rekening houden met de maatschappelijke functie van de journalistiek.

3.Informatie kunnen verwerken in een adequate journalistieke vorm voor diverse media

Om (3) te kunnen moet de beginnend journalist:

Diverse journalistieke media en daarbij passende genres en werkwijzen, met geschikte uitdrukkingsmiddelen (woord, beeld en geluid) planmatig en creatief kunnen inzetten;

Op basis van gegeven randvoorwaarden en informatie kiezen van het adequate publicatiemiddel of combinatie van verschillende publicatiemiddelen;

Informatie kunnen ordenen met oog voor opbouw van het journalistieke product, passend bij de journalistieke en eventueel ook commerciële randvoorwaarden.

Kunnen beschikken over adequate stilistische vaardigheid en souplesse rekening houdend met medium, genre en doelgroep;

Informatie effectief en creatief kunnen vormgeven gebruikmakend van de specifieke mogelijkheden van de verschillende media;

Kunnen werken met technische verwerkingshulpmiddelen zoals opmaaksystemen, content-managementsystemen, opname- en montageapparatuur en nieuw ontwikkelde hulpmiddelen.

Zich correct kunnen uitdrukken in de Nederlandse taal.

4. Adequaat en professioneel kunnen communiceren

Om (4) te kunnen moet de beginnend journalist:

Zich bij alle beroepstaken adequaat kunnen bedienen van de Nederlandse taal (zowel mondeling als schriftelijk).

Zich kunnen bedienen van Engelstalige bronnen, Engels kunnen verstaan en eenvoudige gesprekken in het Engels kunnen voeren;

Professionele contactuele eigenschappen kunnen inzetten;

Een netwerk kunnen opbouwen en onderhouden en daarvan het belang inzien;

Beschikken over gespreks- discussie- en onderhandelvaardigheden;

Professioneel om kunnen gaan met kritiek en feedback (positief en negatief) van zowel superieuren als collega’s; en deze feedback kunnen benutten voor de verbetering van het eigen handelen.

5. Professioneel en efficiënt kunnen (samen)werken in een organisatie/bedrijf:

Om (5) te kunnen moet de beginnend journalist:

Zelfstandig en resultaatgericht kunnen werken, dat wil zeggen complexe beroepstaken zelfstandig kunnen definiëren, analyseren en op deadline kunnen realiseren;

In complexe beroepssituaties methodisch kunnen werken, dat wil zeggen op basis van kennis van journalistieke productieprocessen, een realistisch werkplan met haalbare doelen kunnen maken voor zichzelf en (eventuele inzet van) anderen;

Kunnen samenwerken met verschillende personen met rollen in journalistieke producties, waaronder eindredacteuren, vormgevers, cameralieden, geluidstechnici, technici bij nieuwe media etc.;

Leiding kunnen geven aan eenvoudige projecten en daarbinnen leiding kunnen ontvangen;

6. Kennis hebben van de commerciële basis van uitgeverijen, omroepen, productiemaatschappijen enz. en zich bewust zijn van de gevolgen voor de journalistieke producten enz.

Om (6) te kunnen moet de beginnend journalist:

Productformules en redactiestatuten kennen en ermee kunnen werken;

Kennis hebben van organisatie- en overlegstructuren in journalistieke bedrijven en de rechten en plichten van werknemers;

Een eigen bedrijf (freelance) praktisch en financieel kunnen inrichten.

7. Eigen en andermans journalistiek werk kritisch kunnen beoordelen en een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van het vak

Om (7) te kunnen moet de beginnend journalist:

Kwaliteitsnormen van – en ethische principes met betrekking tot journalistiek handelen kennen kunnen toepassen op journalistiek werk, de eigen journalistieke praktijk en die van anderen;

8. Zich bewust zijn van het spanningsveld tussen journalistieke kwaliteitsnormen en commerciële waarden en daarmee om kunnen gaan

Om (8) te kunnen moet de beginnend journalist:

Het eigen commentaar op eigen journalistiek werk en dat van anderen helder en beargumenteerd kunnen overbrengen;

Kennis hebben van de belangrijke ontwikkelingen en theorieën met betrekking tot de journalistiek;

Een standpunt kunnen bepalen ten aanzien van ethische kwesties en ontwikkelingen binnen de journalistiek;Het eigen standpunt mondeling (in discussies over het vak) en schriftelijk (in een opiniërend artikel) kunnen motiveren.

9. Kunnen reflecteren op eigen ontwikkeling als professional en daaruit conclusies kunnen trekken voor de toekomst

Om (9) te kunnen moet de beginnend journalist:

Kunnen reflecteren op eigen leer- en werkgedrag al dan niet binnen een breder verband van werkgroep of redactie of organisatie, en op basis daarvan het eigen leer- en werkgedrag kunnen verbeteren;

Verantwoording willen en kunnen nemen voor eigen keuzes en deze keuzes kritisch kunnen beoordelen en verantwoorden.

Doelen kunnen formuleren voor de eigen continue professionele beroepsontwikkeling en deze doelen realiseren of bijstellen.

Professionele (ethische) waarden en normen kunnen integreren in de beoordeling van eigen functioneren en daarover verantwoording kunnen afleggen.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *